wittebisons
wb_rb
De Witte Bizons

Maar hij kon nog niet gaan. Om te beginnen werd het water dat hij over moest steken afgesloten. Het briesje dat zijn onrust had opgepakt was harder gaan waaien en werd alsmaar verder opgevoerd, het brak door de linies heen tot storm. Deze nam het grote water in bezit en veegde alles wat wilde zwemmen of varen de stranden op en de havens in. Rode vlaggen overal. Thuisblijven! Het dode tij was in zijn tegendeel verkeerd: ´Les extrèmes se touchent´ en de consequentie was: wachten…


Windvlagen beukten tegen de dunne wanden van het vakantiehuisje, een losgewaaid stuk regenpijp rammelde met iedere windstoot mee. Daniël werd wakker van het lawaai. Storm! Hij trok een trui aan en ging naar buiten om de regenpijp vast te maken, de deur werd met een klap uit zijn handen gerukt: ‘Weg! Binnen blijven jij!’ ‘Gótver.’ Hij schrok van het geweld maar ging toch naar buiten. Het losse stuk pijp kon niet meer op zijn plaats worden gezet, met één ruk trok hij het van de wand.

De wind floot, dat doet hij altijd boven een zekere snelheid en die was bereikt. De boomkruinen ruisten heftig en gebaarden, zwaaiden met hun duizend armen, Shiva was ook weer gekomen, misschien was hij het die op de fluit speelde. De sikkel van de maan stond buitengewoon helder en vlijmscherp de aandacht te trekken, klaar om overbodige takken en loten te snoeien. Daniël keek, de natuur was in beweging gekomen, er was iets op handen. Of nee, het was al gaande. En de wind kwam uit het noordwesten, de plaats waar hij heen zou gaan. Maar hij zou moeten wachten. Geen boot zou niet uitvaren met dit weer.


Maar dat was niet alles. In een ander continent was ook een en ander gaande. Het was geen storm maar een andere samenscholing van kracht en geweld. Een gemaskerde en duistere samenscholing en deze had het gemunt op een eenzame reiziger, een vrouw. Hulp was noodzakelijk. Het Verbond vroeg om aandacht, het liet de bomen gebaren: ‘Hiérheen!’ het liet de wind fluiten: ‘Luister!’ het liet de maan stralen: ‘Attention, Votre-Dame!’ Wie de maan ziet ziet de maan, of hijzij nou in Frankrijk staat of in Zuid-Amerika, het is dezelfde maan, zij kaatst de blikken die op haar worden geworpen terug, over en weer: een moment van overdracht. Morgen zou hij naar de rotsen gaan…


Halverwege de ochtend reed hij erheen. Hij moest het portier tegenhouden wilde het niet uit zijn voegen waaien. Hij sloot de auto af en liep met zijn handen diep in de zakken van zijn jack naar het strand dat aan één kant overging in hoge en grillige rotsen. Een paar mensen stonden al te kijken bij de parkeerplaats, torsend tegen de wind die schuin uit zee kwam.

Daniël liep meteen door naar de rotsen en klom omhoog. Hij zette zich schrap tegen de windvlagen die hem belaagden, hem tegenhielden en bij de kraag van zijn jack vastgrepen alsof hij zich eerst moest legitimeren: ‘Uw naam meneer en paspoort alstublieft! Wat komt u hier doen?’ Maar Daniël rukte zich los, hij wilde op die rots.

Hij kon het niet laten een luide kreet te slaken, een kreet zoals de meeuwen doen, die zich nu ook niet lieten zien. Hij zag ze verderop laag over de grond scheren. Mens en dier gehoorzaamden aan de storm en het opzwiepende water dat oprukte naar de kust. Hij klom zo hoog mogelijk, hij werd tegen de steenmassa gedrukt, linke boel, gevaarlijk zelfs, maar hij wilde op de rots, hij móest op de rots. Hij ging zitten en keek.


De golven waren enorm. Ze waren verschrikkelijk. Ver uit de kust rezen ze al op uit het water en spatten met veel wit schuim weer neer: als een kudde Witte Bizons op weg naar de kust, met grote snelheid. Het was een buitengewoon heldere dag. Geen wolk hield lang stand bij zo´n storm, alles werd uit of in elkaar geblazen. De wind heerste over het water, de lucht en het land erachter. De wind was zelf lucht, dacht Daniël. Kun je naar de wind kijken? Hij vond van wel. Hij vond tegenwoordig heel vaak van wel waar hij vroeger van niet had gevonden.


En zo zat hij op de rots en keek naar de machtige golven die kwamen aangerold en aangedenderd. Hij keek naar de kudde Witte Bizons, over elkaar heen bollend en rollend om uiteindelijk tot staan gebracht te worden door de onverbiddelijke rotsen die hen géén toestemming gaven aan land te komen. Hij keek naar dat grote mysterie voor hem. Het blauw en het groen van de oceaan tezamengebracht tot een prachtig doorschijnend turqoise als het water als een muur uit de zee oprees en het licht van de zon er doorheen scheen. Het stralende wit van de branding deed de kleuren des te sterker uitkomen. Zoveel schoonheid. Zoveel kracht. Zo´oneindige wereld daaronder nog verscholen, waar hij zo vaak een blik in had geworpen tijdens het snorkelen. Hij zag de golven, maar meer nog zag hij de Witte Bizons, immens en brullend als ze te pletter sloegen tegen de rotsen die hen sinds het begin van alle geschiedenis al tegenhielden. Boven de rotsen hing een lichte damp, een nevel, lucht verzadigd van water, verzadigd van de Witte Bizons die hier hun tocht eindigden en hun ziel vrijlieten. De zon drong door de nevel en maakte regenbogen, een waaier van stralende transparante kleuren. Daniël was sprakeloos. Nog nooit had hij zo een schouwspel gezien - kwam het door een toevallig samenvallen van licht en waterdamp? Door de ontzettende kracht waarmee het water op de rotsen beukte en deze nevels maakte? Steeds verscheen een regenboog, lichtte op en verdween dan weer. Tot de volgende Bizon de sprong waagde en in kleuren opging.


‘Odette,’ prevelde hij, ‘ik aanschouw een wonder. Ik wilde dat je naast me zat en het kon zien. Hoe kan ik je dit ooit vertellen? Zoveel schoonheid, zoveel kracht. Gevaarlijk veel kracht. Ik heb iets voor je, een sieraad, voor om je hals.’ Hij sloot zijn hand even om de steen. ‘Hij zal je ook beschermen en wie weet, omdat ik heb besloten dat ik hem aan jou geef, beschermt hij je nu al. Nu al...’


Nu al? Waarom dacht hij dat? Was ze soms in gevaar! Een ongerust gevoel trok samen bij zijn navel. Ze hadden eigenlijk helemaal niet over mogelijke gevaren gesproken, ook niet over gedragsregels, ze hádden juist geen regels maar dat betekende natuurlijk niet dat ze geen oog zouden hebben voor gevaar of risico’s zouden nemen. Stel, ze was alleen op pad gegaan. Ze was een vrijgevochten type, helemaal niet denkbeeldig dat ze dat zou doen. Zou ze zich wel realiseren dat Zuid-Amerika iets anders is dan Europa? Ze zou toch wel op zijn minst een gids meenemen of zich aansluiten bij een groep als ze de Andes in zou willen trekken? God, waren ze niet een een beetje naïef geweest met hun Reglement? Ze hadden op zijn minst dit soort zaken moeten bespreken.


Maar dat hadden ze niet gedaan en nu… Hij rook de oceaan, zag het heftig bewegende grote water, hoorde het donderende geraas van de branding. Gewelddadig, gevaarlijk water was het en tegelijk van een oogverblindende schoonheid. Hij probeerde zich te laven aan de atmosfeer. Hij moest gewoon wat meer vertrouwen hebben in wat ze in gang hadden gezet en in haar. En in de steen. Maar het ongeruste gevoel bleef knagen…


Hij stond op, zijn benen stijf van de ongemakkelijke houding en optrekkende kou. Maar hij werd onmiddellijk weer teruggesmeten tegen de rots. ‘Gódverdomme!’ Hij schrok. Vertrok zijn gezicht, hij was met zijn heup tegen het gesteente gesmakt. Hij bleef even zitten, de pijn verbijtend, wreef over het bot. Hij keek naar beneden, hij was veel te ver omhoog geklommen zag hij nu pas! Had hij zich nu zo verkeken op de situatie? Hij was toch wel vaker met storm op de rotsen geklommen. In zijn enthousiasme en de wind in de rug was hij zo boven geweest maar nu… ‘Gódver,’ riep hij weer, ‘hoe kom ik weer beneden.’ Voorzichtig kwam hij overeind, maar een paar onzichtbare handen duwden hem ruw weer terug.

‘Nee nee, dat gaat zomaar niet. Je moest zo nodig hierheen, de gevarenzone in. We hebben je paspoort, je kunt nergens heen zonder onze toestemming. Ga maar weer terug. En dan zullen wij eens overwegen wat we met je gaan doen. Misschien lever je nog wat op.’

Hij probeerde het opnieuw. Steun zoekend bij de rots ging hij staan, maar de wind gaf hem een zet. Hij wankelde. Nee, dat ging zo niet. Was de storm dan erger geworden? Het zweet brak hem uit, hij kon niet terug! Het gebulder van de branding begon op zijn zenuwen te werken, de golven kwamen hoger en verder dan daarnet: zeker was de storm heviger geworden. Hij had nooit de rotsen op mogen gaan! Hij dacht koortsachtig na: ik moet hier zo snel mogelijk weg, maar hoe. Staan was niet meer mogelijk, misschien liggend op mijn buik. Hij draaide zich om, liet zich voorzichtig zakken, zijn armen opzij, steun zoekend bij een uitstekel of spleet in het gesteente waar hij tegenaan werd gedrukt. ‘Oké, de wind duwt mij terug als ik ga staan, maar houdt me vast als ik ga liggen.’ Hij steunde, ‘Alles gaat tegenwoordig andersom. Zo moet het lukken.’ Langzaam liet hij zich zakken, meter voor meter, het oppervlak was ruw en ongelijk, puntig soms en priemend door zijn kleren, zijn lijf, hij voelde de spetters van de golven, o god, als ik val… ik val niet! Hij kroop als een slang naar beneden. Ieder stukje van zijn lichaam raakte de rots, de wind duwde hem er tegenaan en belette hem op te staan, maar droeg hem tegelijk naar beneden. Twee bewegingen inéén… Voorzichtig liet hij verder naar beneden zakken en sprong de laatste meter het strand op. Bezweet en hier en daar gekneusd. Zand stoof in zijn ogen, er zat een scheur in zijn jack door de scherpe rotspunten, een vinger bloedde: de schade van een verkeerd inschatten van de elementen. ‘Idioot,’ riep hij. Het kabaal van de wind en de branding overstemde alle andere geluid, ‘idioot,’ schreeuwde hij. Zijn ongerustheid en angst moesten er even uit: ‘Dwaas!’ Had de chakana hem beschermd soms? Een steen tegen een steen? Herkend als verwanten, samen opboksend tegen het geweld dat uit het niets tevoorschijn was gekomen en ook weer in het niets zou verdwijnen. Hij keek omhoog, zag de plek waar hij had gezeten. Was hij gek geweest? Moet je zien! Maar als hij niet naar boven was geklommen, had hij de Witte Bizons niet gezien…

De steen was voor Odette. Hij was ongerust geweest over haar, daarna was hij zelf in gevaar geraakt, maar nu kwam het gevoel des te sterker terug. Hij wreef in zijn tranende ogen in een poging het zand eruit te krijgen, wist dat hij dat moest doen door te knipperen maar hij was ongeduldig, onrustig. Hij keek naar de grond, zag slierten fijn zand als schaduwen onder hem doorschieten, het leek wel of hij vloog. Niet het zand schoot onder hem door, hij vloog eroverheen! Met een enorme snelheid, het waren wolken en daaronder lagen de landen. Odette. Hij moest iets doen, iets tegenhouden, iets voorkomen, helpen. Hij leunde voorover tegen de storm, spreidde zijn armen: ‘Ik ben sneller dan de wind, ik vlieg. Ik ben de condor!’ Hij slaakte een kreet: ‘Haaaayahhhh!!’

Hij had zo’n fantasie altijd, zo’n grenzeloze verbeelding en hij kon er zo helemaal in opgaan tegenwoordig. Hij wás gewoon de condor, hij vlóóg ook over de Andes.

‘Odette! Hier is de chakana. Pak hem, hij is voor jou. De steen beschermt je. Pak hem dan!’ Hij strekte zijn hand uit naar de stralend verlichte golven, als wilde hij over de oceaan heen reiken naar het continent waar zij nu was. ‘Hier, Odette! Hiér!’ riep hij, zijn stem nietig in het gebulder van de storm. Maar wie weet nam deze de woorden in zich op, blies hij ze op tot enorme proporties en droeg hij ze verder. De wind komt overal…


Hij liet zijn armen zakken, de wolken werden weer zand en hij weer Daniël. Hij sloot even zijn ogen, zag Odette voor zich, haar levendige groene ogen, die vastberaden trek op haar gezicht, haar vitaliteit en het maakte dat er een glimlach over zijn gezicht trok. Hij had de steen aan haar gegeven… Hij zou haar beschermen. Hij liep terug naar zijn auto. Er was werk aan de winkel! Hij moest zijn overtocht in orde maken.
nav
Copyright © 2015 - DE DAGERAADVANGER. All rights reserved. | Terms and Conditions | Disclaimer |                                         Design by STUDIO182